Reactie VPTZ Nederland op Kamervragen vergoeding terminale zorg

De minister van VWS, Hugo de Jonge, heeft op 25 april de Kamervragen over de vergoeding en het leveren van palliatieve (terminale) zorg beantwoord (zie download onderaan deze pagina). Het is goed om te zien dat het belang om te kunnen sterven op de plek van voorkeur van de patiënt serieus genomen wordt. Wel maakt VPTZ Nederland twee kanttekeningen over de positie van vrijwilligers en het moment waarop zij betrokken worden bij de zorg in de laatste levensfase. Deze zijn in onderstaande brief aan de leden van de vaste commissie van VWS gestuurd.

Vrijdag 26 april 2019

Aan de leden van de vaste commissie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport
Cc: minister De Jonge en de heer F. Lafeber

Geachte leden van de vaste commissie VWS,

In navolging op de door de minister de Jonge opgestelde reacties op de kamervragen, kenmerken 1512734-189195-Z en 1512737-189196-Z m.b.t. de vergoeding van palliatieve zorg door zorgverzekeraars, verheugt het ons als Vrijwilligers Palliatieve Terminale Zorg Nederland (VPTZ) terug te lezen dat het belang om te kunnen sterven op de plek van voorkeur van de patiënt serieus genomen wordt.

Als VPTZ Nederland zijn wij altijd voorstander geweest van het organiseren van de palliatieve en terminale zorg op de plek waar de cliënt dit het liefste wil. Het zorgvuldig indiceren van de zorgvraag door een wijkverpleegkundige is hierbij van cruciaal belang. Als VPTZ Nederland hebben wij een tweetal kanttekeningen waar wij uw aandacht graag voor willen vragen.

Ten eerste geeft de minister aan dat de wijkverpleegkundige bij een indicatiestelling altijd kijkt naar de mogelijkheid om het netwerk van mantelzorgers en vrijwilligers in te zetten, conform norm 4 uit het Normenkader indicatiestelling V&VN. Graag brengen wij onder uw aandacht dat in bovengenoemde norm geen uitspraken worden gedaan over de inzet van vrijwilligers. Er wordt nu alleen gesproken over het sociale steunsysteem van de zorgvrager en mantelzorg. De inzet van vrijwilligers wordt in deze norm niet expliciet benoemd. Dit terwijl juist de inzet van vrijwilligers in de palliatieve fase zo belangrijk kan zijn in het ontlasten van de zorgvrager, zorgverleners en naasten. VPTZ Nederland gaat zich inspannen om de vrijwilligers ook een plaats in het Normenkader te geven. De vrijwilligers worden daarmee bij de wijkverpleging een logische partner, zoals de minister dat ook ziet.

Ten tweede geeft de minister aan dat wanneer een cliënt meer ondersteuning wenst dan volgens de zorgverzekeraar mogelijk is, het inzetten van vrijwilligers, hospice of bijna thuis huis een goed alternatief kan zijn. In hetzelfde stuk geeft de minister aan dat er geen beperking is op de verpleegkundige zorg die geïndiceerd kan worden. Ondanks deze ogenschijnlijke tegenstelling en dat wij als VPTZ blij zijn dat u onze ruim 11.000 vrijwilligers in beeld heeft, impliceert de reactie van de minister een bepaalde rangorde c.q. volgordelijkheid als het gaat om de inzet van vrijwillige palliatieve terminale zorg. Graag maken wij u als VPTZ Nederland erop attent dat juist de combinatie van de tijdige inzet van beroepsmatige-, vrijwillige – en mantelzorg de gouden combinatie is in het leveren van de juiste palliatieve zorg op de juiste plek, hetgeen onderschreven wordt in het kwaliteitskader palliatieve zorg.

Als u behoefte heeft aan extra toelichting zijn wij daar uiteraard graag toe bereid.

Met vriendelijke groet,

Fleur Imming
Directeur VPTZ Nederland

Download

beantwoording-kamervragen-over-hoe-de-vergoeding-en-het-leveren-van-palliatieve-terminale-zorg-nog-altijd-niet-goed-loopt

PDF document, 304.04 kB